Prof. dr. Jacques van Dinteren

Het woekert al een tijdje. Beter: het woekert al te lang: het campus-virus. Overal waar meer dan vier stenen op elkaar worden gestapeld komt de vraag op of die nieuwe ontwikkeling niet ‘campus’ zou moeten heten.  Het is een variant op een soort van marketing van de koude grond die we al langer kennen. Mocht u bijvoorbeeld een kantoorgebouw tegenkomen dat eindigt op ‘staete’ dan is dat in de jaren negentig van de vorige eeuw gebouwd. Hoe zo onderscheidend?

Devaluatie

Het jammerlijke van het misbruik van een term als ‘campus’ is de devaluatie van een begrip dat op zichzelf heel goed kan weergeven waar het om gaat. Het is echter de vraag of bijvoorbeeld de dairy campus (ontmoetingsplek voor de zuivelindustrie), KNVB campus (sporttraining) en nu ook een campus voor de ontwikkeling van financiële techniek de kern van het idee raken. De campus Diemen Zuid en de City Campus MAX (Utrecht) moeten we in dit verband misschien ontzien omdat die eigenlijk aanhaken op het oorspronkelijke idee: een universiteitsterrein met een mix aan woningen en voorzieningen voor docenten en studenten (ook al ligt de universiteit dan soms op enige afstand). Gaandeweg is het begrip campus, in ieder geval in Nederland, sterker verbonden geraakt met innovatie. Als we echter alles zo maar een campus gaan noemen, waar blijft dan het onderscheidend vermogen?

Selectief zijn

Deze week (op 6 juli om precies te zijn) stelde Michiel Scheffer, gedeputeerde Economische Zaken van de provincie Gelderland tijdens een ROM/BT seminar over de planning van bedrijventerreinen dat een campus veel te vaak een onroerend goed gedreven begrip is. In het nieuwe economisch beleidskader van de provincie (2016) staat het ook klip en klaar: “Campussen zijn een fysiek kristallisatiepunt van het provinciaal economische beleid. Een aanjager van het ecosysteem in de stuwende sectoren. In onze filosofie zijn er in Gelderland maar een beperkt aantal campussen. Voor ons is een campus een fysieke locatie met hoogwaardige vestigingsmogelijkheden, gedeelde faciliteiten en een actieve open innovatie omgeving waar startende en gevestigde bedrijven elkaar ontmoeten en inspireren. Er is sprake van tenminste één inspirerende en gerenommeerde kennisdrager. Deze kennisdrager bepaalt in belangrijke mate de thematische profilering van de campus.” Gegeven deze definitie besluit de provincie vervolgens ook zich te beperken tot de ondersteuning van een zeer beperkt aantal clusters in de provincie.

Industriële innovatie campus

In het verlengde hiervan stel ik voor die ene “inspirerende en gerenommeerde kennisdrager” als uitgangspunt te nemen voor een onderscheid tussen een industriële innovatiecampus en een science park. Waar dat kristallisatiepunt bij een science park een universiteit is (die overigens niet op of direct aan het park hoeft te grenzen, maar wel dichtbij moet zijn) is dat bij een industriële innovatie campus een leidende industrie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de DSM Industrial & Biotech Campus (Delft), de Chemelot Campus (Sittard / Geleen), de Novio Tech Campus (Nijmegen) of de Automotive Campus (Helmond). Willen dergelijke ontwikkelingen een succes worden, dan gelden een aantal strikte voorwaarden. Voorwaarden waaraan zeker niet altijd wordt voldaan op alle campussen die nu als zodanig zijn benoemd (zie blog). Een heel belangrijke voorwaarde is een duidelijke toelatingsstrategie en daar ontbreekt het nogal eens aan. Dat geldt zelfs voor de ‘officiële’ science parks in Nederland (zie artikel).

Innovatiedistrict

Naast deze twee concepten kan het innovatiedistrict  (“innovation district”; “area of innovation”) een interessante nieuwe loot aan de stam worden. Anders dan in het buitenland is dit in Nederland nog geen echt bekend fenomeen, al is de aanzet soms wel aanwezig in de vorm van zogenaamde creatieve fabrieken. Een innovation district wordt vooral gekenmerkt door een sterke mix aan functies en een sterke oververtegenwoordiging aan innovatieve bedrijven, klein en groot. Het concept sluit sterk aan op de behoefte van (hooggeschoolde) werknemers om te kunnen werken in een dynamische, multifunctionele omgeving met een bepaalde uitstraling. Binnenstedelijke omgevingen komen dan zeker in beeld. Een mooi voorbeeld is bijvoorbeeld 22@Barcelona . Of lees hier een verslag over de technologie bedrijven in downtown Ann Arbor. Hier liggen kansen voor de Nederlandse binnensteden die op zoek zijn naar nieuwe functionele invullingen of voor de stationsomgevingen die op tal van plaatsen moeten worden geherstructureerd.

Te stellen eisen

Het is een illusie te denken dat we het woordje “campus” op allerlei onroerend goed gedreven ontwikkelingen er nog afgepoetst krijgen, maar als we nu aan de gang gaan met de ontwikkeling van innovatiedistricten, laten we dan in ieder geval zorgvuldig te werk gaan en iets maken dat ook echt kan voldoen aan de eisen die een dergelijk concept stelt. Dat vraagt nadere studie, maar te denken valt onder meer aan het volgende:

  • afgebakend, bepaald gebied;
  • gericht op innovatieve bedrijven en instellingen, zowel topbedrijven als starters;
  • in een multifunctionele omgeving;
  • compact, goed bereikbaar, maximale digitale bereikbaarheid;
  • een eigen gebiedsmanagement team.

Een dergelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied van de grond krijgen zal in planologische zin ook nog wel enige voeten in de aarde hebben. Misschien is “van de grond krijgen” ook niet de juiste term. Wil een innovatiedistrict in een binnenstedelijke omgeving een succes kunnen worden, speur dan eerst je stad af naar de plaatsen waar de aanzet al aanwezig is (verouderd bedrijventerrein; laat 19e eeuwse / vroeg 20e eeuwse gordel?), zet daar op in en faciliteer, heb geduld en laat het zich ontwikkelen. En laat vooral veel over aan het bedrijfsleven zelf.

Het campus-virus en het innovatiedistrict

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *